Dank voor de uitnodiging om hier te spreken, en zeker bij voorbaat dank voor het vertrouwen dat de voorbereidende congrescommissie blijkbaar had om mij ook nog een de key-note-speech toe te vertrouwen. Het is overigens een bewijs van het feit dat de medezeggenschap nog steeds uiterst krachtig en machtig is, want laten we eerlijk wezen, als je wordt gevraagd door de voorzitter van de CMR van de instelling waarvan je zelf toezichthouder bent, is weigeren geen optie, nietwaar.

Daar komt nog de titel van dit congres bij: De Toekomst van de Medezeggenschap. Hoe dramatisch kan het worden. Stel dat er geen toekomst meer zou zijn voor de medezeggenschap, dan zou dit wel eens het laatste congres van VMH en LOVUM kunnen worden, en dan wordt dit een historische middag waar ik dan graag als historicus van opleiding later van wil kunnen zeggen: ik ben erbij geweest. Ook dan is weigeren geen aantrekkelijke optie.

Maar mijn grootste twijfel of ik wel moest komen zat en zit hem in het feit dat ik op geen enkele wijze mijzelf een deskundige in het medezeggenschapsgebeuren wens te noemen, laat staan dat ik er voor heb doorgeleerd. Het is dus eerder vanuit het ten onrechte aan Pipi Langkous toegeschreven motto: “ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het kan”, dat ik hier sta, en dus geweigerd heb om de uitnodiging te weigeren.

Ik heb echter wel degelijk een paar observaties, boodschappen en wellicht nuttige en leerzame ervaringen die ik in het licht van het thema met u vanmiddag wil delen. Ik begin dan meestal, ook nu trouwens, met een inkijk in mijn persoonlijke geschiedenis, zeg maar zoiets als ‘opa vertelt’, wat anekdotisch van aard, om dan daar wat thematische lijnen uit te halen en te eindigen met vragen en conclusies.

Medezeggenschap in mijn kinderjaren

Elk kind mag blij zijn als hij of zij het product is van een perfecte vorm van medezeggenschap in een gezin of samenlevingsverband. Als 2 partners in liefde tot elkaar, na goed en degelijk inhoudelijk overleg, besluiten een nieuwe wereldburger te concipiëren. Ik mag zo’n gelukkig resultaat zijn toen ik 63 jaar geleden werd geboren in een gezin waar toen al vier oudere broers aanwezig waren. Er is mij verteld dat mijn vier broers liever een zusje hadden gewenst, één broer wenste zelfs een paard, maar zover reikte de macht van de medezeggenschap in ons gezin niet.

Binnen ons gezin kan ik achteraf processen analyseren die ook in de medezeggenschaps=theorie terug komen: zaken als pikorde, transacties, gelijke behandeling, actie voeren voor betere beloning, langer opblijven, uit mogen gaan: in een wat groter gezin worden de betere onderhandelaars en latere leden van overlegorganen gevormd. En dan nog zoiets als de gunfactor. Bij ons thuis kreeg dit vorm op de dag dat jouw naamfeest werd gevierd, het feest van jouw patroonheilige, vaak belangijker dan de verjaardag. Dan mocht het gezinslid in kwestie bepalen wat het gezin die dag ging eten. De medezeggenschap aan de macht dus. Vandaag, 9 november, is het overigens de feestdag van de Heilige Theodorus, en u begrijpt dat het geen verrassing is wat straks bij mij op tafel staat.

Mijn vader werkte bij Personeelszaken van de Kon.Nederl.Papierfabrieken, en werd belast met de invoering van de eerste Wet op de Ondernemingsraden. Hij ontwierp de eerste reglementen, organiseerde verkiezingen en werd de eerste ambtelijk secretaris. Ook gaf hij hierover training elders in het land. En toen de KNP-groep groter groeide en op enig moment 12 fabrieken telde werd hij de eerste secretaris van de Centrale Ondernemingsraad. Ik maakte de spanningen waarmee hij soms thuis kwam mee, als ook het plezier wat hij beleefde aan het scheppen van goede verhoudingen. Hij was een pionier die zijn werk vooral kon doen op basis van vertrouwen bij zowel het personeel als bij de concerndirectie.

Medezeggenschap in mijn studietijd en eerste baan

In 1977 ging ik studeren in Nijmegen. Het was de toptijd van de studentenprotesten. In elke faculteit, vakgroep of sectie dan ook er medezeggenschap was georganiseerd, waar studenten een actieve rol vervulden. In Nijmegen bij Geschiedenis waren dat voor 90% linkse, wat zeg ik, ultra linkse studenten. De zeggenschap ging ver, tot en met bijvoorbeeld het eisen dat bij Nieuwe Geschiedenis aandacht moest worden besteed aan de Sandinisten in Nicaragua. Ik werd vanzelfsprekend ook lid van een studentenbond, maar dan het gematigde NUSO. Namens die club praatte ik mee in het bestuur van de vakgroep Nieuwe Geschiedenis voor 1870. Menige studiedag ging verloren wegens bezettingsacties van ons Erasmusgebouw. Achteraf vraag ik mij wel eens af hoe al die docenten, die soms minstens even leninistisch, maoïstisch of trotskistisch waren, die studentenmacht vonden. En of dat niet de bron is voor de wens tot meer waardering voor het vakmanschap van de professional.

Eind 70-er jaren was echter ook al de trend voelbaar van de afnemende belangstelling voor de studentenpolitiek. Bij verkiezingen voor de vele raden werd steeds vaker de opkomstdrempel niet gehaald, of werden kandidaten verkozen zonder dat er tegenkandidaten waren.

Mijn eerste baan was bij een politieke jongerenorganisatie in 1983. Vanaf dag één was het daar volstrekt vanzelfsprekend dat je lid werd van een vakbond. Ik denk dat in ons partijbureau sprake was van vrijwel 100% lidmaatschap. Ik werd in mei 1983 lid omdat het zo hoorde, en de keuze was snel gemaakt: het werd het CNV. IK verwacht volgend jaar mei dan ook een delegatie van het afdelingsbestuur met de onvermijdelijke bondsspeld. In een werkorganisatie die uit 3,5 fte bestond is het woord medezeggenschap relatief. Wel leerde ik daar de voor- en nadelen van het werknemer zijn in een door vrijwilligers geleide club. Anders gezegd: mijn bazen waren niet in dienst van dezelfde organisatie.

De overstap naar het Hoger Onderwijs

In 1989 ging ik werken als adjunct directeur van de economische faculteit van de universiteit Maastricht. Het was de tijd dat de universitaire medezeggenschapsstructuur nog alles van de zeventiger jaren in zich droeg, maar waarin de praktijk toch was gewijzigd. Er was veel meer macht bij de docent en het OBP, en studenten waren veel minder militant, maar meer gericht op een goede kwaliteit van de voorzieningen.

Als één van de twee CNV-leden in mijn faculteit , en één van de 10 in de hele universiteit, werd ik al snel gevraagd om plaatsvervangend lid van het Georganiseerd Overleg te worden. Dat bracht mij in de curieuze positie dat ik af en toe zat te onderhandelen met het CvB waar ik als faculteitsdirectie eerder al standpunten had bepaald. Zeer leerzaam voor mijn vermogen je te verplaatsen in de denkwijze van de tegenpartij. Omgaan met rollenconflicten in je eigen hoofd.

Ik kwam ook in aanraking met het fenomeen van de betaalde vakbondsbestuurder, die recht had op een eigen kantoor. De betrokkene beschikte op die manier in zuid-oost-Nederland over 9 kantoren op evenzovele instellingen voor Hoger Onderwijs. Ik ontdekte de professionaliteit en kennis van de vakbeweging.

De universitaire medezeggenschap kende en kent vele vormen. Want naast het GO functioneert natuurlijk ook een faculteitsraad en een universiteitsraad. Met name in deze gremia leerde ik de spanning ervaren tussen belangenbehartiging voor het personeel en het behartigen van het instellingsbelang.

Een volgende ervaring: WOR-bestuurder en de Polder

Ik kan natuurlijk nog veel vertellen over mijn politieke functies van fractievoorzitter en wethouder. Ik vervulde die nog in het monistisch model. Medezeggenschap vond vaak plaats binnen fractieverband. Ik heb de invoering van het dualisme wel nog meegemaakt, maar slechts kort. Voor het vervolg van mijn betoog moet ik u waarschuwen: ik b en een monist gebleven.

Maar in 2003 stapte ik over naar het College van Bestuur van de Open Universiteit. Eerst als derde lid, of vicevoorzitter, liefkozend ook wel werkend lid van het college genoemd. En na twee jaar collegevoorzitter. En daarmee krijg je de functie van WOR-bestuurder meteen cadeau. Naast een MR was er ook nog een GO, waardoor ik ongeveer alle zaken die met het personeel te maken kunnen hebben, altijd wel op de een of andere wijze op mijn bordje terecht kwamen. Of dit nu de verplichte vrije carnavalsmaandag in Noord Holland betrof, of de vrijwillige vrije carnavalsdinsdag in Heerlen, of de bevordering van hogere aantallen vrouwelijke AIO’s, dan wel de reiskostenvergoeding, dan wel de afschaffing van de loonschalen 3 en 4, of het leven-lang-leren-beleid voor het eigen personeel van deze leven-lang-leren-universiteit. De MR achtte zich overal bevoegd, en eerlijk gezegd voelde ik mij als een vis in het water, omdat ik in de MR de universitair-politieke discussies die je normaal met decanen of afdelingsdirecteuren hebt, kon doorbreken. Ik leerde de medezeggenschap gebruiken – en dat bedoel ik zeker niet oneerbiedig – om de instellingsstrategie realiteitswaarde te geven.

Het Nederlands onderwijsbestel kent ook landelijke organen. De collegevoorzitters van de 14 universiteiten vormden de Algemene Presidenten Vereniging. En daarin komen dan ook op nationaal niveau de afspraken met en over het personeel ter sprake. Vrijwel alle voorzitters komen uit de 70-er jaren traditie van medezeggenschap, en hebben een natuurlijke sympathie voor werknemersbelangen. Maar aan de andere kant dienen zij de instellingsbelangen, en ervaren ze de concurrentie tussen hun instellingen. Ik leerde als relatieve buitenstaander – de Open Universiteit is immers voor niemand een concurrent – dat het competitieve element in ons onderwijsbestel rechtstreeks de mate en het karakter van medezeggenschap bepaalt. Ik kom daar nog op terug.

In mijn tijd als universiteitsbestuurder werd ik ook kroonlid en dagelijks bestuurslid van de SER. Ik mocht daar adviestrajecten over de jeugdzorg en over het fenomeen van de ZZP’er leiden. De positie van de onafhankelijke kroonleden is een bijzonder fenomeen in het Nederlandse poldermodel. Het georganiseerde overlegmodel tussen werkgevers en werknemers. Ik leerde de kracht waarderen van onafhankelijke voorzitterschappen, professionele procesbegeleiding, neutrale ambtelijke ondersteuning en het benutten van onderzoek en kennis.

De ervaring als bestuurder die boven partijen staat

Een laatste ervaring in mijn levensgeschiedenis is die van Commissaris van de Koning, in mijn provincie overigens Gouverneur genoemd. In die rol had ik geen bemoeienis met personeelsbeleid, dat immers een politieke portefeuille is, noch met personeelszaken, dat immers een verantwoordelijkheid van de provinciedirecteur is. En toch is er verbondenheid met het welbevinden van alle provinciale medewerkers. Je bevordert een soort van clubgeest, collegialiteit en trots op de organisatie, en speelt een belangrijke rol in de rituelen en de momenten van verdriet en vreugde. En je kunt de buffer zijn tussen de politieke waan van de dag en het langere termijnbelang van een betrouwbare overheid. Ik leerde hoe belangrijke ook de pastorale rol van bestuurders, maar ook van MtraatR of OR-leden ten opzichte van medewerkers kan zijn.

In mijn nevenfunctie van toezichthouder bij de Bank Nederlandse Gemeente maakte ik kennis met het verschijnsel Toezichthouder die geacht wordt een speciaal vertrouwen te genieten van de Ondernemingsraad”. In die rol woonde ik bij tijd en wijlen een vergadering van de ondernemingsraad bij, en probeerde regelmatig de temperatuur te meten van het reguliere overleg van de Raad van Bestuur met de OR. De medezeggenschap werd op die manier informeel bij het toezicht betrokken.

Democratie

Naast toezichthouder bij de Hogeschool Zuyd, ben ik dat nu ook bij de Stichting die het Democratiefestival organiseert. Dit festival vond onder de naam Grondfest begin oktober wederom plaats in Nijmegen. Het is een feest om in zo’n evenement kennis te maken met talloze nieuwe vormen van democratie, of dat nu burgerbegrotingen, G-500, referenda, participatiedemocratie of media-democratie is. Het ongenoegen over ons huidige politiek-bestuurlijk bestel, over het poldermodel, over ons democratisch bestel is onder burgers groot. Versnippering binnen de representatieve vertegenwoordigingen, verlies aan respect voor de uitvoerende macht, het niet of minder geloven in wetenschappelijke feiten, het afhaken bij verkiezingen, noem maar op: het dwingt ons tot nadenken over ons systeem. En wat mij betreft gaat het dan niet alleen meer over de vraag of onze parlementaire democratie nog zo functioneert als bedoeld, maar ook of onze democratieën in bedrijven, partijen, vakbonden, instellingen nog legitimiteit voldoende hebben. Want niet alleen politieke partijen verliezen leden.

Kunnen we op de oude manier voort?

Deze vraag is voor mij geen vraag meer. We moeten nadenken over veranderingen. En die betreffen zowel de rol, het doel als het functioneren van medezeggenschap. Mag ik met u een paar wilde gedachten en vragen delen, waarvan u bij voorbaat overigens gelegitimeerd bent te zeggen dat ze niet van toepassing op uw situatie zijn.

  • De vaag van de representativiteit is al vele jaren oud. Ons medezeggenschapssysteem gaat uit van een 100% vertegenwoordiging. Of u nou de enige kandidaat was, er geen of een kleine of een grote verkiezingsopkomst was, u bent als lid van een MR of ander orgaan volledig bevoegd.
  • Dat geldt ook voor de in een MR vertegenwoordigde en daartoe vastgelegde partijen. Houdt die samenstelling nog voldoende rekening met de vraagstukken die op tafel liggen. En dan bedoel ik niet de voor de hand liggende vraag naar gender-representatie, maar ook naar buitenlands personeel, parttime studerenden, inhuurkrachten.
  • Of hoe gaat de medezeggenschap om met de maatschappelijke omgeving van de instelling. Is er plek voor stakeholders-invloed? Is er plek voor adviseurs van buiten?
  • Een CMR of UR is vanzelfsprekend gericht op het behartigen van een instellingsbelang. Hoe verhoudt dit zich met het sectorale, meer instelling overstijgende of nationale belang?
  • Is het nog steeds zo logisch om studenten en medewerkers in één orgaan te laten adviseren?
  • De mogelijkheden om studenten toegang te verschaffen tot collegevergaderingen, dan wel personeelsvertegenwoordiging dito, maakt dat ons dualistisch medezeggenschapsmodel niet te monistisch, en is dat erg?
  • Is de medezeggenschap voldoende in staat om ook de bestuurlijke dilemma’s aan te pakken; wordt men voldoende ondersteund? Bijvoorbeeld bij vraagstukken als werkdruk, meer ruimte voor vakmanschap?
  • Moeten ook niet andere vormen van meer rechtstreekse betrokkenheid en democratie een plek krijgen? Meer functionele democratie, meningspeilingen; Of holt dit het bestaande systeem te zeer uit?
  • Welke rol spelen de vakbonden?
  • Moet de medezeggenschap zich lenen (negatief verwoord) voor het versterken van de instellingslobby voor meer geld en ruimte? Dus meedoen in de competitie?
  • Hoeveel aandacht is er voor het cultuuraspect binnen de medezeggenschap; overheersen de grote strijdpunten, of is er ook aandacht voor de menselijke maat, de pastorale personeelszorg?

Antwoorden

U mag uit mijn levensgeschiedenis afleiden dat ik een fervente aanhanger van poldermodel, belangenbehartiging en medezeggenschap ben. Ik had u al gezegd dat ik mij monist voel. In dit kader betekent dit dat ik geloof in een medezeggenschap die de instelling beter en sterker maakt, maar de competitie met andere instellingen kanaliseert door overstijgende afspraken over arbeids-gerelateerde zaken.

Helaas gaat de breed in de samenleving gegroeide scepsis naar polderende organen, ruziemakende vertegenwoordigers, en ondoorzichtige besluitvormingsprocessen, ook de wereld van andere publieke sectoren bereikt. Als mensen vinden dat er in een gemeenteraad teveel wordt geleuterd, en mensen met te weinig kennis van zaken ons besturen, dan is er geen enkele reden aan te nemen dat mensen positiever zijn over ondernemingsraden, medezeggenschapsorganen en raden en commissies in hogescholen of universiteiten.

Nieuwe vormen van democratie, democratische experimenten, andere vormen van burgerbetrokkenheid kunnen ons voorbeelden en ideeën aanreiken om ook onze eigen democratieën te vitaliseren. Met gebruik van snelle meningspeilingen via de app, vormen van burgerbegrotingen voor een deel van een academie, verbindingen zoeken met de zachtere kanten van personeelswerk, het zijn pistes waarover best nagedacht kan worden.

Dat geldt ook voor de positie van een CMR binnen een instelling. Die moet aanzien genieten, maar die moet dan ook verdiend worden. Zorg hebben voor de belangen van de achterban, maar ook de individuele medewerker en student zien en erkennen.

Medezeggenschapsorganen zijn geen Tweede Kamers die een College van Bestuur moeten controleren. Het zijn eerder mini-SER-ren die in noeste polderarbeid proberen stevig onderbouwde adviezen te geven en besluiten te nemen die relevant zijn voor elke betrokkene. Daarmee is medezeggenschap een onderdeel van de kwaliteitszorg, en eerder een Eerste Kamer, die de realiteitszin en uitvoerbaarheid van plannen van een college toetst, en daarmee de plannen verbetert.

En daarmee ben ik terug bij mijn levensgeschiedenis. Want toevallig mag ik kandidaat zijn voor een lidmaatschap van de Eerste Kamer vanaf mei 2023. Dat is dan net dezelfde maand waarin ik het vakbondsinsigne voor 40 jaar lidmaatschap en deels ook activiteit in medezeggenschap ontvang. En het is de maand waarin de meeste medezeggenschapsorganen zich terugtrekken voor een dag op de hei om gt spreken over de begrotingen van het volgend jaar, en daarmee hun eigen functioneren evalueren.

De mei-maand is voor u dus de juiste periode om de resultaten van dit congres om te zetten in veranderingen in cultuur en structuur, en daarmee uw toekomst een nieuwe fase in te laten gaan.