Brief aan mevrouw Van Engelshoven

Geachte mevrouw Van Engelshoven,

De medezeggenschap in het onderwijs staat sinds enkele jaren nadrukkelijk in de belangstelling van de politiek en dat niet alleen vanwege de Wet versterking bestuurskracht. Het heeft ook te maken met de introductie van speciale programma’s gericht op de kwaliteit en continuïteit van onderwijs, zoals de Kwaliteitsafspraken en recentelijk het Nationaal Programma Onderwijs (NPO).
Deze toename aan belangstelling gaat helaas gelijk op met dalende opkomstcijfers bij medezeggenschapsverkiezingen en toenemende moeite om daarvoor kandidaten te vinden.
Het Landelijk Overleg Universitaire Medezeggenschap (LOVUM) en de Vereniging van Medezeggenschapsraden van Hogescholen (VMH) maken zich hierover al een tijdje serieuze zorgen. Beide organisaties vertegenwoordigen de studenten en personeelsleden die actief zijn in de formele medezeggenschapsraden binnen universiteiten en hogescholen.

Een belangrijke reden voor de achteruitgang in opkomst en kandidaten is het ontbreken van voldoende en expliciete erkenning, waardering en faciliteiten voor actieve medezeggenschappers. In een uitgebreide reactie op het onderzoek van Berenschot naar ‘Goed bestuur en medezeggenschap’ heeft het LOVUM aangegeven het beeld dat daarin van de medezeggenschap wordt geschetst niet te delen.
Ondanks onze formele positie en ondanks de toegenomen politieke belangstelling, die er vooral uit bestaat dat we worden gezien als de ‘ideale’ tegenkracht voor bestuurders in het hoger onderwijs, worden we niet tot nauwelijks gehoord door diezelfde politiek en het ministerie van OCW. Er wordt voortdurend over ons gepraat, maar niet met ons. Dat was al het geval bij de totstandkoming van de kwaliteitsafspraken en recentelijk ook bij de besprekingen rond het NPO.

En helaas, zo moeten we constateren, gebeurt nu precies hetzelfde met de gesprekken over de extra middelen voor de medezeggenschap. Waar ISO en LSVb uitgebreid worden geconsulteerd en de ruimte krijgen om mee te denken en te praten, en dat is ze zeer gegund, worden LOVUM en VMH, ondanks herhaalde verzoeken om ook betrokken te worden, stelselmatig genegeerd. We mogen via-via lijstjes aanleveren in de hoop dat daarvan iets in de gesprekken doordringt.

Wij vertegenwoordigen een enorme hoeveelheid ervaring, deskundigheid en creativiteit als het gaat om onderwijs, om studenten en personeel in het hoger onderwijs en vooral als het gaat om medezeggenschap: wat werkt wel en wat werkt niet en waaraan is behoefte.
Het zijn gemiste kansen, ook nu weer. En dat niet alleen voor ons, maar voor het hoger onderwijs in het algemeen. Het risico is niet denkbeeldig dat er ook nu afspraken worden gemaakt die de medezeggenschap opzadelen met verantwoordelijkheden en taken die ze niet of nauwelijks waar kan maken, omdat de juiste bevoegdheden en faciliteiten ontbreken.

Wij doen bij deze een beroep op u als minister om het LOVUM en de VMH expliciet te erkennen als vertegenwoordigers van de formele medezeggenschap in het hoger onderwijs en ons van nu af aan actief te betrekken bij gesprekken over zaken die onze medezeggenschap aangaan en betreffen, om te beginnen bij de besteding van de extra middelen voor de medezeggenschap.

Met vriendelijke groet,

Werner Eussen Rien Wijnhoven
voorzitter VMH voorzitter LOVUM